Van indicatoren naar data
Zoals aangegeven werd in een eerste fase geopteerd om een zo optimaal mogelijke set van indicatoren op te stellen zonder rekening te houden met het al dan niet beschikbaar zijn van data. Uiteraard moesten in een tweede fase de indicatoren wel van data voorzien worden. Bij de zoektocht naar data werd beroep gedaan op drie soorten bronnen:
- centrale databanken of surveys beschikbaar in federale of Vlaamse instellingen;
- decentrale data die door de steden zelf worden verzameld en bezorgd;
- grootschalige survey bij de inwoners van de centrumsteden.
De zoektocht naar data heeft duidelijk gemaakt dat er wat schort aan de datacultuur en het datamanagement en dit op alle beleidsniveaus. Heel wat indicatoren konden niet worden ingevuld bij gebrek aan relevante data.
In vele gevallen moest teruggegrepen worden naar tweedekeus- of ’second best‘-indicatoren. Dit bracht mee dat sommige indicatoren dienden ontdubbeld te worden om toch voldoende informatie te verschaffen.
Voor heel wat data werd uiteindelijk een beroep gedaan op een survey bij de stadsbewoners zelf. In 2004 en 2006 werd hiervoor een telefonische enquête opgezet, in 2008 werd gekozen voor een schriftelijke of postenquête (klik hier om HET METHODOLOGISCH RAPPORT voor de SURVEY te bekijken).
Om de lacunes voor relevante data op stedelijk niveau gedeeltelijk op te vangen is er ook beroep gedaan op de steden zelf. In samenwerking met de vertegenwoordigers van de stadsbesturen in de stedenstuurgroep en de bevoegde diensten in de steden zelf (zowel van het stadsbestuur, als van OCMW en Politie) zijn er nieuwe indicatoren aangemaakt. In dit verband denken wij dan bijvoorbeeld aan de reeks indicatoren over de uitrustingsgraad van de wijk (via het Geografisch Informatiesysteem) en over de zichtbaarheid van de diversiteit in een aantal overheidsdiensten.
De Stadsmonitor bevat ook een 12-tal indicatoren die de kwaliteit van de samenwerking (netwerking) tussen allerlei actoren in kaart tracht te brengen (2004). Werkt men rond een bepaald thema goed samen? Zijn alle diensten voldoende betrokken? Wordt rond het thema goed gecommuniceerd naar buiten uit? Enzovoort. Voor deze indicatoren is een vrij grootschalige webenquête uitgevoerd bij sleutelfiguren uit de steden. Het meten van de kwaliteit van de samenwerking gebeurde voor 5 domeinen: onderwijs (2 thema‘s), ondernemen en werken (2 thema‘s), wonen (3 thema‘s), zorg en opvang (3 thema‘s) en veiligheid (2 thema‘s). Per stad kregen gemiddeld 10 à 15 sleutelfiguren die het thema goed kennen een reeks kwaliteits- en appreciatiestellingen voorgeschoteld. De indicatoren zijn tot stand gekomen na het uitvoeren van een Cronbach‘s alpha-analyse en een factoranalyse op de resultaten van de webenquête.
Niet alle indicatoren konden worden ingevuld. Voor deze indicatoren zijn pistes uitgetekend om verder uit te werken.